heel ergens anders, daar, waar ze graag wou zijn en waar ze gisteren nog niet dacht te zullen zijn.
Toen het middag werd, en later in de middag, vroeg ze zich af, waarom ze eigenlijk wachtte. Ze kon toch een briefje schrijven en posten, en hem vragen, haar morgen zo vroeg mogelijk op te bellen, — dan kon ze een uur afspreken. Want ze kon morgen best tijd vinden, om naar zijn kantoor te gaan, — o, de hele dag wel. Ze verlangde zo naar werk en geld. Het was zo lang geleden, het vorige werk van Evenburg.
Haar vulpen zweefde even besluiteloos in de lucht, toen ze het briefje wou gaan schrijven. Aan dezelfde tafel zaten Siem en Joop, en maakten hun huiswerk. Ze vroegen haar van tijd tot tijd wat over een som, de spelling van een woord, en daar tussen door moest ze haar gedachten bepalen bij het gewone briefje, dat af moest spreken voor morgen.
Dat ze met gelijke snelheid morgen vroeg kon opbellen, liet ze niet tot zich doordringen. Daarvoor was de drang in haar om iets te doen, vandaag al, te sterk. Daarvoor was de geest van de voorbij-rijdende zigeunervrouw te veel in haar gevaren.
Ze schreef, fors en open, zonder opschrift:
„Belt u mij morgen vroeg even op om af te spreken. Ik kan de hele dag wel bij u op kantoor komen.”
Wat had ze meer te schrijven? Over zijn grootvaderschap? Misschien dacht hij daar zelf al niet meer aan.
Dit was alles. Alleen ondertekenen.
135