„Moet je hier nou eerst het gemiddelde procent uitrekenen?” vroeg Siem.
„Laat me nou, — laat me even,” zei Car wat korzelig. Haar hand was gereed voor de ondertekening, — hoe kon ze nu aan gemiddelde procenten denken?
Haar gedachten concentreerden zich scherp op één punt: de ondertekening. De vulpen bewoog boven het papier, nog niet er op.
Ineens, met een ruk, stond het er:
Car.
Car, zonder meer. Zonder Leo’s naam, die de hare was. Alleen Car.
Ze plakte snel de envelop dicht, schreef het adres van zijn kantoor. Morgen met de eerste bestelling was hij er.
„Wat was er met die procenten?” vroeg ze.
„Nee, stil maar, ik heb hem al.”
„Je moet ook niet zo gauw hulp vragen. Nu zie je zelf, dat je hem wel kent.”
Haar stem klonk scherper dan ze zelf wou. Siem keek haar even verbaasd aan, en zweeg. Car voelde hem op dat ogenblik als haar wijzere.
Toen ze de brief postte, dacht ze: „Car. Alleen maar Car.”
Och, maar hij was immers grootvader.
* *
*
Ze wist dat hij het was.
„Ja?” vroeg ze. „Met wie?”
136