dan weer omlaag, - hij staat in het zwart portaal en tuurt naar de lichtkier, zijn gehoor spant zich naar geluid, maar alles blijft stil in de woning.
Weer strekt zich zijn hand en zakt dan opnieuw weifelend neer.
Hodl is een burgerman, hij is niet besmet met de angst der over beschaaf den, die zozeer huiveren voor het contact met menselijk leed, dat zij zich kies op een afstand houden van wie in moeilijkheden verkeren. Hodl is vrij van die angst, hij heeft zelf leed te dragen gehad en weet bij ervaring, hoe troostrijk de handdruk van een medemens kan zijn. Hij zou Meyer Jonathan gaarne bijstaan in dit zware uur. Maar zal Herr Jonathan hem willen ontvangen?
Het valt echter ook niet te ontkennen, dat de huiseigenaar Hodl, enig recht heeft om te weten wat er gebeurt onder zijn dak. En dit recht geeft hem eindelijk de moed om de bel over te halen.
Twee seconden later opent Meyer Jonathan wijd de huisdeur. Hij staat zeer rechtop en zeer ernstig in de deuropening, - maar als hij ziet wie de bezoeker is, wenkt hij hem vriendelijk naar binnen.
Ik zag nog licht bij u, daarom belde ik maar aan,5 begint Hodl, houdt dan stil en zoekt naar verdere woorden. Hij is plotseling volkomen in de war. Dit begrijpt hij niet: - als een van zijn vele kleinzoons door de politie was gehaald, zou hij zich in een hoek drukken van ellende en schaamte. En hier tegenover hem staat het oude joodje, dat zijn enige kleinzoon naar de gevangenis heeft zien brengen, en ziet hem aan met even klare ogen als altijd, wijst hem zelfs een stoel, alsof hij een verwacht en aangenaam bezoek komt brengen. Maar Hodl gaat niet zitten. Hij zoekt gehaast en onrustig in zichzelf naar wat hij te zeggen heeft; te on-218