‘Vader, kan ik nog even binnenkomen?’
De oudste zoon heeft aan de slaapkamerdeur getikt, waarachter vader en moeder Hodl zich klaarmaken voor de nacht. Ze wilden nog wel niet toegeven dat ze moe waren, maar hebben zich tenslotte toch vrij gedwee naar binnen laten sturen toen de laatste gasten heengingen. De kinderen zouden de ergste rommel wel even ruimen. Nu zijn ze bijna klaar met hun nachttoilet. Twee grijze vlechtstaartjes hangen langs Resi’s geste-* ven nachtpon en Johannes staat al in zijn borstrok en onderbroek, die hij natuurlijk des nachts aanhoudt, men moet het leven niet nodeloos ingewikkeld maken. Maar Johannes mag gezien worden in zijn hagelwit ondergoed, Resi houdt hem zo fris en helder als zichzelf. Het oude paar biedt werkelijk een verblijdend toneeltje aan de zoon, die op Hodl’s ‘ja!’ de kamer binnenstapt.
‘Ik kom goedenacht zeggen, we zijn door het dikste heen, hoor, de anderen zijn al weg. Morgenochtend kom ik bijtijds om de boel weer op de poten te zetten.’ ‘Welneen,5 zegt Hodl, ‘dat kunnen de knechts toch doen, blijf jij maar een beetje uitslapen. Maar misschien wil een van de meisjes meekomen om grootmoeder te helpen.’
‘Geen denken aan,’ beslist Resi, ‘ik doe er liever wat langer over, ik wil zelf elk stuk op zijn plaats zetten, ’t Komt best in orde, jongen, - maar ga jij nu ook naar huis. het is al twee uur geweest.’
‘Ja, ik ga al,’ zegt Johannes Junior en schraapt zijn
213