stippeltjes daar in de diepte, ze schemeren weg onder de glanzende zilveren hemelvlakte. Het maanlicht is een koele, witte, onaardse melk, het druppelt van de wijngaardbladeren en giet zich over de klimrozen die hun roze kelken wijdopen omhooghouden. Een enkel doorzichtig wolksliertje komt aandrijven, zonder zwaarte vloeit het over de lichte maanschijf, dan laat het zich zachtjes verder blazen door de zomernachtwind.
Alles is klaar en zuiver en doorzichtig, de ganse wereld ligt daar stil, zonder wil en zonder haast.
Ook Otto staat zonder wil en zonder haast. Zijn hand herhaalt eindeloos de strelende beweging langs Roserl’s haren, zijn gedachten zijn ver weggelopen langs vreemde wegen, - nog slechts een vage echo klinkt terug, ^ ‘het is onmogelijk, — niet mogelijk.5 Maar zijn hand leeft een eigen bestaan, ervaart de vertrouwelijkheid van het roerloos gebogen hoofd, dat zich geeft onder zijn liefkozing.
En dan strekt zich de hand, glijdt om een gladde wang en drukt het dierbaar hoofd tegen een borst die plotseling diep moet ademhalen, wonderbaarlijk bevrijd en volstromend met blijdschap. Otto voelt het met een schok, dit is de enig mogelijke werkelijkheid, hij is terug in zichzelf en besloten, zijn armen leggen zich om het slanke lijf van het meisje. ‘God helpe ons, want wij kunnen niet anders/ zegt hij, ‘lieveling, ik geloof dat ik ook niet meer zonder jou terug zou willen, - zou je van me kunnen houden? doodgewoon, als je iedere dag bij me was en zag hoe ik ben?’
‘Ja,’ zegt Roserl en sluit haar ogen.
‘Dan zullen we zien, dat we je zo gauw mogelijk mrs. Wernizek maken.5
212