wen, edat mag je niet zeggen, - nu goed, ik weet wel dat ik daarnet flauwe kul stond te produceren, maar toen je straks bij me lag, was dat geen spelletje en geen luchtkasteel, dat was echt, en al ben ik er over een paar dagen niet meer, dan blijft het toch even echt en niemand kan het ons meer afnemen!’
‘Neen, dat is juist. Ik zal eraan denken en blijven denken en nog veel eenzamer zijn. — Otto Roserl heeft haar gezicht in zijn borst gedrukt, haar twee armen omvatten hem, dicht, dichter, er is een wanhopige wil in haar greep. ‘Otto ik kan niet meer alleen blijven, jij hebt eenmaal een vrouw van me gemaakt, nu is er niemand anders die nog iets voor me kan zijn, - dat weet ik - ik heb alles doorgemaakt - als je weg bent, heb ik geen toekomst meer. Weet je nog wat je zei die laatste keer? - je zei: ik wil je niet in de weg staan, je moet trouwen en een man hebben en kinderen. Otto, dat bestaat niet meer voor mij, je zult altijd in de weg blijven staan, - er is maar één man voor me en voor hem wil ik de kinderen desnoods wel opgeven. - Otto, je moet me meenemen, deze keer moet je me meenemen, ik kan niet meer zo alleen zijn.5
‘Ik heb je niets aan te bieden,5 zegt Otto en richt zich rechtop in verweer. Aan haar greep voelt hij, hoe angstig ze zijn antwoord wacht, maar koppig keren in zijn hersenen woord voor woord als de overwegingen terug, die hij zich vroeger zo herhaaldelijk heeft voorgehouden. ‘Ik kan je niet meenemen, ik ben geen dag zeker, dat ik de volgende morgen voor je kan zorgen. Zo was het en zo is het nog, dat weet je. En je weet ook dat je hier wèl een toekomst hebt, - bij Komgross.5 ‘Je wilt me niet begrijpen,5 zucht Roserl en laat hem los. ‘Je wilt me niet begrijpen, omdat je te trots bent. Jij vindt dat het niet fair is om me mee te nemen, maar
209