hij, en voelt zich plotseling zeer trots op hun sprookjesachtige schoonheid, - dan lacht hij geamuseerd om zijn grootheidswaan. ‘Kom dan toch, Rosamündchen,’ roept hij naar binnen, en als Roserl komt, slaat hij zijn arm om haar schouders. ‘Kijk eens liefste, hier leg ik mijn bossen en akkers en al mijn bezittingen aan je adorabele voetjes.’ Hij wijst langs de horizon met weids theatraal gebaar, en kust dan op het onverwachtst zijn geliefde plekje in Roserl’s hals.
Roserl heeft haar hoofd tegen zijn arm geleund zonder iets te zeggen en Otto legt zijn wang voorzichtig tegen haar slaap met de zijden haargolf. Hij kust zachtjes en met aandacht haar voorhoofd, om windt het met tedere aanrakingen, maar ze blijft stil, uit geen enkel woord. Het is een onbekende ervaring, dat ze zo stil kan zijn als deze avond, hij heeft jarenlang de herinnering aan haar kwetterende jongemeisjesstem in de oren gehad. Maar in haar stilte is ze hem toch heel lief, dierbaarder nog dan ze ooit is geweest, er ligt een zo moederlijke toegeeflijkheid in haar wezen, dat hij plotseling al zijn tederheden als jongensachtig ontoereikend ervaart. En dan bemerkt hij meteen, hoe hij zelfs nu nog niet zeker van haar is, hij heeft haar in zijn armen gehad, ja, maar daarna heeft ze zich teruggenomen. Nu is ze weer zichzelf, een mens met eigen heimelijkheden, haar wezen heeft zich opnieuw gewikkeld in de zachte ernst die hem aantrekt en verwart tegelijk. Maar hij wil zich niet verward gevoelen, daarom spant hij zich in om deze ernst, deze wijze, berustende zachtheid te overwinnen, hij wil niet dat ze wijs zal zijn, hij wil haar horen lachen en zelf meelachen, - hij wil vrolijk zijn, zoals vroeger, gelukkig zijn, zes dagen lang, - dat moet toch kunnen, - en dan verder zien.
‘Zie toch eens, Rosamündchen, — daar hebben ze be-
207