delt achter hem aan.
‘Hoe is de naam, mijnheer?’ vraagt hij en schuift het gastenboek naar voren. ‘Geef op/ zegt Otto en schrijft met zijn meest representatieve steilschrift: Otto von Wernizek-Bolnanyi und Gemahlin.
De bleke nachtportier vouwt bijkans dubbel. Nu de gast zich op deze wijze heeft ingeschreven, is hij zeker van zijn beloning, bagage of geen bagage. ‘Misschien heb ik toch nog een kamer aan de voorzij, Herr Graf, ik wil nog eens even kijken.’ - ‘Welja, kijk maar eens,’ zegt Otto, ‘ik rijd vast de wagen in de garage.’
Als hij terugkomt, wacht Roserl op een van de hal-banken, ze zit zo in gedachten dat ze hem niet eens hoort komen, daarom steekt hij zijn arm onder de hare en zet haar overeind; als alle mannen verlangt hij de eerste plaats in de belangstelling der vrouw die met hem samen is. Arm in arm met haar steekt hij de hal over, maar dan blijft ze staan en wijst op het gastenboek. ‘Wat heb je nu weer uitgehaald?’ vraagt ze. ‘Aha, je hebt gesnuffeld terwijl ik weg was,’ zegt Otto en glimlacht. ‘Lieverd, dacht je dat we over twaalven een kamer in Schloss Cobenzl kregen als je niet mijn Gemahlin was?’ Roserl zwijgt.
Nu komt de nachtportier terug met een sleutel. ‘Ik heb helaas niets meer vrij op de eerste verdieping. Maar op de tweede heb ik nog een prachtkamer, schitterend uitzicht over de stad.’
‘Juist,’ zegt Otto, ‘dat wist ik wel. En avant la musique.’ Een Weens nachtportier behoeft geen Frans te kennen, maar hij moet weten dat de aristocratie gaarne Frans spreekt. Deze functionaris is tevreden met Otto’s blijk van distinctie in verband met zijn verder voorkomen. Wat de dame betreft, die maakt een goede, hoewel niet geheel correcte indruk, aan haar rok hechten nog een
205