het dalende wegje tussen grasland omlaag. Een eindje terzijde glimt een vuur en het maanlicht schijnt op een paar witte vlekken. - ‘Kampeerders?’ vraagt Roserl, — ‘we zullen eens gaan zien,’ zegt Otto. Hij kan nu eenmaal geen enkel aantrekkelijk verschijnsel voorbijgaan als hij de tijd heeft om het op zijn gemak te bekijken.
De kampeerders blijken studenten te zijn, zes jongelui van diverse nationaliteit, die in Wenen studeren maar door de gedwongen sluiting der universiteit onverwachts vacantie hebben gekregen. Ze moeten niets van relletjes hebben en wachten dus, al kamperende, normaler tijden af. Er zijn Italianen, een Argentijn, een negerhalfbloed, een lange Noor en zowaar ook een Chineesje, dat met precieuze gebaartjes een stoeltje gaat uitvouwen voor Roserl, die geïnteresseerd naar het kampvuurtje staat te kijken.
‘U maakt ook muziek,’ zegt Otto en wijst op de banjo van de neger.
‘Ja,’ zegt de Noor, ‘hebt u ons daarstraks niet gehoord? We hebben ons hele repertoire afgezongen.’
Otto glimlacht naar Roserl. - ‘Vreemd - neen, we hebben niets gehoord, - maar we willen best een beetje blijven luisteren, ’t is te warm om al naar binnen te gaan.’ - ‘Hè ja, volksliedjes!’ zegt Roserl.
‘Vooruit dan maar,’ commandeert de Noor, hij is blijkbaar in geestdrift over Roserl’s tegenwoordigheid. En nu zingen ze, om de beurt. Het melancholiek neusgeluid van het Chineesje wordt gevolgd door de werkelijk mooie tenor van een Italiaan, dan zingt de Noor een paar boerse wijsjes en danst er zelfs bij met forse sprongen en kniebuigingen. Wie daartoe in staat is, zingt mee, het is werkelijk heel aardig, maar dan herinnert Otto zich, dat de hem toe ver trouwde twoseater nog al-202