de klokkende keelslag die het antwoord brengt. Roserl’s glimlach wordt dieper bij de zwellende weelde van dit volkomen uur.
Maar nu rijst de maan en strooit bevende glanzen tussen de takken, een lichtglimp treft de slapende man. Hij slaat zijn ogen op en ziet in het warmgetint gezichtje van de jonge vrouw naast hem, haar ogen dragen nog de donkere gloed, die hij erin wakker riep. De impuls om haar weldoend-vrouwelijk wezen nog eenmaal tot zich te nemen, ebt weer weg, hij strekt zich omhoog en neemt haar hoofd tussen zijn handen.
‘Nu zie ik je pas goed, Rosamündchen. Hoe kom je toch zo mooi?’
Roserl haalt een schouder op, ze wil liever niet praten. Maar Otto, die met zijn vinger de lijn van haar kleine fijne oorschelp volgt tot aan het zachte oorlapje, gaat verder: ‘Weet je, dat je mooier bent dan alle Kom-tessen bij elkander? En nog wel zonder blauw bloed.’ ‘Dat denk je maar,’ zegt Roserl, en legt haar hand over zijn hand, die zich gewonnen geeft en stil blijft liggen. ‘Mijn overgrootmoeder was nog een lijfeigene en mijn grootvader was even mooi en kaarsrecht als de oude baron, die heb ik allebei gekend. Ze leken op elkaar als twee droppels water. - Neen jongen, er is veel meer blauw bloed in de wereld dan je denkt, - daarom heb ik er ook niet zoveel respect voor als jij.’
‘Ik heb er geen respect voor,’ verdedigt zich Otto, ‘ik vind alleen dat het enige verplichtingen oplegt. - Ach wat, laten we niet zwammen, Rosamündchen, ik heb het nu eenmaal. Geef me nog één zoen, schat, en laten we zien dat we ergens onder dak komen.’
Nu hebben ze de woudzoom verlaten, de donkere, suizende kruinen liggen achter hen, voor hen uit voert
201