ze is gelukkig, onzegbaar gelukkig, zo vervuld en dankbaar bevredigd, dat haar ogen vochtig werden om deze overstelpende blijdschap. ‘Misschien huilde ik wel omdat dit niet zo blijven kan,5 zegt Roserl en legt Otto5s hand dichter om haar borst, ze voegt zich vast aan zijn warmte en fluistert: ‘wees maar niet boos dat ik het zeg, - straks dacht ik er ook niet aan, maar nu weet ik het weer.5
‘Waar zit het dan?5 vraagt Otto, ‘kom hier kleintje, dat zoen ik wel weer weg.5 Zijn mond zoekt haar mond, zijn armen omvatten haar opnieuw met teder geweld, - tot haar lichaam zich ontspant tegen het zijne, en hij voelt dat ze niet meer behoeft te denken.
Hoe vertrouwend en schuldeloos wordt het mensenlichaam, dat zichzelf durft verlaten om een te worden met het andere, - zo schuldeloos, dat het van de hoogste lust weer kinderlijk kan wegzinken in de weerloze gezamenlijke slaap. Het is de vrouw die het eerst terugkeert tot zichzelf, ze daalt uit een wonderbaar blijde droom in een dieper verheugende werkelijkheid: tegen haar schouder ligt zijn hoofd gebed in haar arm, zo overgegeven in volledige rust, dat haar droom zich voortzetten kan aan zijn zijde. Lang ligt ze zo en luistert naar zijn slapende ademhaling, geheel verzonken in het allesdoordringend geluksgevoel van zijn nabijheid. Dieper en zoeter dan ooit tevoren ervaart ze de aanwezigheid van de geliefde, roerloos geniet ze iedere lichte beweging van zijn tegen haar rustende leden, Om haar heen weven de kleine bosgeluiden een bewegelijk net over de diepe nachtstilte en ze glimlacht tegen de onzichtbare leventjes die zich roeren tussen de ritselende blaren en onder het mosdek. Een late nachtegaal zendt een enkele trillende toon door het duister, de toon blijft zoekend en onbeantwoord smachten, dan rolt in de verte 200