Ook boven de Wienerwald staan de sterren hoog en onbereikbaar. Maar wie de grote weg laat liggen en langs de kleine stijgende paden doordringt tussen het geboomte, verliest de sterren uit het oog, hij gaat over dik zacht mos onder een laaghangend bladerdak, dat de aarde van de hemel afschut en waaronder de vochtige bosadem wasemend blijft hangen.
Otto heeft een arm om RoserPs heupen gelegd en helpt haar omhoog langs de helling; hij dringt dieper en dieper in het donkere, nog warme bos, waarvan de geur hem prikkelt tot een lichte dronkenschap. Een andere vrouw zou hij stellig niet durven meenemen op een dergelijk zigeuneravontuur, — maar met Roserl mag alles. Ts het hier zacht genoeg, kind?’ vraagt hij, als hij langs de grond een week terugverende varenplek heeft gevonden. Hij kan haar niet zien, alleen raden, nu knielt hij naast haar neer en tast naar haar met bevende handen. ‘Wil je me nog? Ben je nog van mij? - Geef antwoord schat.’ Maar er is geen ander antwoord dan haar twee armen, die zich vast om zijn hals leggen en zijn hoofd omlaag houden, - dan zucht hij diep, haast pijnlijk diep, - laat zich los, - en is thuis, eindelijk eindelijk thuis.
‘Huil je liefste?’
Er is geen antwoord. Otto strijkt met zijn vlakke hand langs haar ogen, de hand wordt vochtig. ‘Waarom huil je, alles was toch goed?’
‘Alles is nog goed,’ zegt Roserl. Het is geen liefdeleugen,
l99