Binnen staat Paul Wolük voor zijn wastafeltje en probeert met trillende vingers zijn ogen vol te stoppen met stukjes spons. Hij wil en zal de over hem komende ramp ontgaan, - als ze zijn woning inrammeien, gaat hij doodliggen, ze zullen geen woord uit hem krijgen. En als troostend vooruitzicht belooft hij zich, dat hij morgen aan de dag naar een nieuw verblijf uit zal zien, h- er moet hier in Wenen toch nog wel een plaats te vinden zijn waar men geen medemuzikanten ontmoet al is ’t ook een naaktloperskolonie. Hij blijft star rechtop staan voor zijn wastafel, ook als het huisje nogmaals en nogmaals siddert, nu onder de hand van mr. Hunter, die toch eindelijk naar bed wil.
Onderwijl heeft mr. Haymaker al enige malen op de vensters getikt en dat wordt Maria toch te bar. ‘Kom,’ zegt ze, ‘u ziet dat we geen succes hebben, laten we maar terug gaan.’ Ze voelt zich zeer schuldig, maar Haymaker, die niet voor niemandal the Boss is van een Amerikaans symphonieorkest, kan zijn machtsbewustzijn dit affront niet aandoen. Wat duivel, als hij toch de kans heeft een goed violist te ontdekken, laat hij zich maar niet zo de wet stellen! Dus klopt hij nog eens energiek tegen een ruit, maar mr. Hunter die volop genoeg heeft van het wachten, weet beter raad. Hij wringt zijn zakmes onder de meest wrakke spanjolet en licht die inderdaad heel gemakkelijk uit het oude hout; nu is het nog maar een kleine moeite het raam te openen. Mr. Haymaker steekt zijn hoofd al naar voren in de gemaakte bres, maar op dat moment heeft Paul ten einde raad zijn waskom gepakt en zwiept giftig de inhoud naar het venster. Mr. Haymaker deinst achteruit. Dit is het toppunt. Er is niet veel waar een Amerikaan voor opzijgaat, maar voor een golf onwelriekend waswater uit een Weense achterbuurt mag een gelovig hygiënist tenslotte met ere
197