‘Vooruit dan maar/ zegt Maria en wijst de weg door de achterdeur. Hunter, die zijn vriend niet uit het oog wenst te verliezen, sluit zich bij hen aan. Het is hem maar matig aangenaam in de donkere avond rond te tasten op een plek, die hij wel voor een verlaten kerkhof moet aanzien, maar hij heeft zich eenmaal in de stroom geworpen toen hij Cleveland verliet en laat zich nu stoïcijns en stilzwijgend voeren naar de plaats waar hij zal aanspoelen.
Paul Wolük heeft natuurlijk gehoord dat zich indringers op zijn erf bevinden, men loopt met zijn drieën niet geruisloos over dit geaccidenteerd terrein. Hij heeft dadelijk met krachtsinspanning de roestige sleutel van het paviljoenspoortje omgedraaid en spiedt nu om het vensterkozijn naar de komenden. ‘Madame Butterfly/ meesmuilt hij, als hij de gezette Maria met haar lampion in de ene en haar opgeschorte robe in de andere hand om de grafstenen ziet springen, en amuseert zich zeer met zijn eigen vondst. O ja, Paul Wolük is zichzelf nog altijd het beste gezelschap dat hij vinden kan.
Maria heeft tegen het deurtje geduwd, natuurlijk is het gesloten, ze verwachtte ook niet anders. Nu heft ze de smeedijzeren klopper omhoog, die zeer onwelluidend piept en knarst, dan laat ze hem vallen. De onverwacht luide slag trilt door het huisje en verschrikt haar zelf, ze trekt haar wenkbrauwen op en ziet weifelend mr. Haymaker aan. Maar deze knikt tevreden, - het geluid moet een stervende overeindzetten dus zeker een jong musicus.
Er wordt echter niet opengedaan. Haymaker laat een tweede maal de klopper vallen, nog gewelddadiger dan Maria. Daarna schijnt men binnen iets om te stoten maar de deur blijft dicht. Haymaker haalt zijn schouders op en gaat de ramen inspecteren.
196