aan — voor mijn part het Heidenröslein, — als je maar speelt.5 ‘Vooruit dan maar,5 onderwerpt zich Paul, ‘maar dat zet ik je betaald, Frau Direktor.’
En nu speelt Paul voor de allereerste maal in zijn leven tussen volkomen vreemden op een volkomen onbekende plaats en speelt zo goed als hij alleen in zijn kamer dacht te kunnen spelen. Het lijkt niets op de verplichte leer-lingconcerten van de Grazer Muziekschool, waar hij stuk voor stuk alle toehoorders kende en wist thuis te brengen met al hun menselijke feilen en onaangenaamheden. Er zijn hier ook geen leraren die iemand later superieur hun eigen onmacht weten in te peperen. Er is alleen een schemerige ruimte vol eenvoudige mensen, waaronder echter een groter aantal muziekgevoeligen dan in enige andere burgerbuurt ter wereld.
Paul Wolük is inderdaad met het Heidenröslein begonnen, waarom ook niet? Hij heeft er een paar aardige variaties bij gefantaseerd. Het publiek knikt en glimlacht, - aardig is dat, de mensen schijnen er nog niet genoeg van te hebben. Nu probeert hij iets kunstzinni-gers, - het is wel een grappig experiment om te zien hoever hij ze mee zal kunnen krijgen, - en de kleine Sonate van Corelli oogst warme, waarderende bijval. Nu waagt hij het met Bach, - de jongens van het man-doline-orkest luisteren met gebogen hoofden, dit is muziek, en Maria Ritter's hart juicht. Maria’s kinderlijk hart juicht en vergeet spoedig, ze is Daniël Jonathan nu reeds volkomen vergeten. Ook de anderen hebben vergeten, aan de voordeur staren rijen gezichten naar binnen, het dankbaar applaus plant zich voort tot ver in de luisterende Luftbadgasse.
En dan legt Paul Wolük zijn viool dichter aan zijn kin, sluit de ogen en speelt Mozart, zijn Mozart die hij lief heeft gehad vanaf het ogenblik dat zijn eerste leraar 192