het orkest aan zijn slotaccoorden toe en glimlacht afwachtend, maar het applaus is mager, spontaan klettert het slechts in de nabijheid van het podium.
Opeens staat Maria rechtop naast de stoel van Herr Hodl. ‘Een ogenblik attentie, dames en heren!’ De mensen kijken op en om. ‘Nu zal onze Meistergeiger, Herr Paul Wolük iets ten beste geven. Herr Wolük darf ich bitten?’
Paul ziet op van zijn pianootje. Van het podium wenkt Maria, en Paul haalt zijn schouders op. Maar hij kent Maria Ritter niet, Maria die tijdens de operabrand in Madrid bleef doorzingen terwijl men de coulissen al aan het natspuiten was. ‘Hier is je viool!’ roept Maria en zwaait met Paul’s instrument, dat nooit een certificaat deelachtig kon worden maar dat hij liefheeft of het een Stradivarius was. ‘Ben je bezeten?’ roept Paul en springt op de verhoging ‘blijf er af met je vingers.’ Hij grijpt haar de viool uit handen, maar nu klettert het goedmoedig welkomstapplaus van de voorste rijen hem al tegemoet en Maria glimlacht triomfantelijk, - daar zit hij aan vast.
Geschrokken kijkt Paul Wolük om en ziet geen uitkomst. Vater Hodl knikt hem dankbaar toe, de bruid zit al netjes rechtop en strijkt haar zijden rok glad. Het verdere publiek blijft in afwachtende houding, doch wisselt tevreden knikjes, — de Hodls hebben inderdaad uitgezócht divertissement te bieden. Wel staat aan de ingangspoort een gesticulerende groep om Johannes Junior, die overduidelijk om stilte moet verzoeken, maar dit is geen reden om niet alvast te beginnen. ‘Spelen Wolük,’ fluistert Maria, ‘spelen man, - straks zal ik je wel zeggen waarom.’
‘Wat moet ik dan in godsnaam spelen?’ vraagt Paul en legt vast zijn zakdoek in zijn hals. ‘Komt er niet op
191