voerende kunstenaars. Ze klimt omlaag van het podium, legt haar hand op zijn arm en zegt: ‘Paul, haal jij nu ook je viool en speel ze wat voor!’
‘Hoe komt u daarbij?’ vraagt Paul. Maria voelt hoe hij in elkaar krimpt en haar hand glijdt tot op zijn hand die kleine zachte trillertjes slaat uit de hoogste tonen. De hand ligt dadelijk stil, dan trekt ze de hare terug. ‘Omdat je ze er zoveel plezier mee zou doen. - God jongen, als ik met mijn oude bas ze nog aan het luisteren kan krijgen, wat moet jij dan wel voor ze kunnen doen!’
‘Ik verlang niets voor ze te doen,’ bromt Paul Wolük, ‘ik heb hier een beetje geaccompagneerd voor uw plezier, maar zo dadelijk pak ik mijn biezen.’
‘Neen, niet doen!’ roept Maria, ‘je moet me straks nog begeleiden bij een paar Schubertliederen.’ - Ze is niet van plan hem te laten gaan want dan ziet ze hem vanavond stellig niet terug. Er glijdt een slim lachje om haar lippen, ze wenkt Josefine. Ja, dat is een idee, ze zal zijn viool laten halen zonder verder te vragen, die viool ligt wel ergens te grijp in zijn kamer. Moederlij k-toege wijd ziet ze neer op zijn hoofd, dat zich alweer heeft gebogen over de toetsen, doch even later herneemt ze toch maar haar plaats op het podium. Nu wil het huisorkest weer eens een nummertje geven, de jongens spelen de ‘schone blaue Donau’ wel voor de derde maal, maar dat hindert niet, het is hun bestmar-cherend paradepaard en ze wiegen er dan ook overtuigend op heen en weer. Buiten danst men nu openlijk op het trottoir. Er zijn maar weinigen, die acht geven op twee donkergeklede mannen, die zojuist uit een auto zijn gestapt en tussen de groepen doorlaveren tot aan de achtertrap, die ze zonder omzien bestijgen. Ze hebben een paar woorden gewisseld met Franzl, die se-
189