een podium, dat niet eens zo heel wankel op schragen is gebouwd en met vlaggedoek is behangen. Het staat in het midden tegen de brede zijwand van de Hausflur. Ze kunnen dus alles en allen overzien en ook de kleinkinderen die versjes komen opzeggen of toepasselijke liederen te zingen hebben, worden op die verhoging voor hun publiek geplaatst. Er wordt daar door de jeugd menig benauwd ogenblik beleefd, - in een hoek naast het podium schuilen de slachtoffertjes bijeen, - ‘moet jij nog? moet jij nog?5 — maar als ze voor het gehoor staan en onder aanmoedigende knikjes een eindje op weg zijn geholpen, spuiten ze hun poëtische bijdragen op alsof er geen plankenkoorts bestaat. Na afloop krijgen ze een kus van hun grootmoeder en van Johannes Hodl een zwanzig-groschenstück, waarvoor ze zich een ijsje kunnen halen. Ja, want dat is ook een attractie, - een werkloos buurman met een ijskarretje heeft vergunning gekregen om aan de Hoftor zijn nering te drijven. Als er straks gedanst wordt, zal hij zeker een aardig centje verdienen, en daarbij kan Hodl toch ook niet de hele buurt van versnaperingen blijven voorzien.
Want ook de Luftbadgasse viert het feest opgewekt mee. Natuurlijk niet de verarmde deftigheid, die zich geneert deze buurt te bewonen, maar wel de kleine neringdoenden en allen die een genoeglijk moment aanvaarden zonder naar de herkomst te vragen. Buiten voor de twee wij dopengeslagen vleugeldeuren komen de voeten al in beweging bij ieder nummertje van het huisorkest, maar het ware dansen is het nog niet, dat komt pas als het voorprogramma zal zijn afgewerkt.
Maria Ritter heeft men aangehoord onder ademloze stilte, - so was Kunstvolles - dit gehoor kan best tegen een gemankeerde toon of onvoldoende adembeheersing, het apprecieert ten volle de Schwung waarmee de 186