‘Otto/ smeekt Roserl, - ‘ik moet met je praten.’
‘Ja,’ zegt Otto, ‘dat kennen we, - praten, je goddelijke tijd verpraten, dat willen jullie vrouwen nu eenmaal altijd, - maar zo ben jij vroeger nooit geweest. Had je me soms daar in dat tuintje de biecht willen af nemen?’
‘Otto,’ zegt Roserl, ‘je moet me toch eerst aanhoren.’ ‘Neen,’ antwoordt Otto, en laat eindelijk haar arm los, die hij al die tijd in zijn haast pijnlijke greep heeft gehouden. ‘Neen, ik hoef je niet aan te horen. Of je gaat mee, nu dadelijk, en zonder zwamrelaas, - of je gaat je eigen kant op naar huis. Je kunt een man niet laten wachten tot hij zijn nagels op vreet en dan verlangen dat hij een conferentie met je zal houden over de zin des levens. Of je houdt nog genoeg van me om te willen wat ik wil, - öf we zeggen Grüss Gott en je gaat kalm naar huis... Maar waarom ben je dan in godsnaam hier gekomen?’
Ach, en nu vraagt Roserl zich ook: ‘Waarom ben ik gekomen?’ - maar tegelijk weet ze het antwoord al, ‘omdat ik niet wegblijven kon.’ Zo is het, - het helpt ook niets of ze het weten wil, het heeft niets meer met weten te maken. Ze snikt een kort droog snikje en wrijft haar voorhoofd tegen Otto’s arm, verloren als een verdwaald hondje.
‘Kom,’ zegt hij en legt zijn arm over haar schouders, ‘- kom -’ en helpt haar in de wagen.
184