haast onmogelijk om haar slaapkamer op te zoeken, daar naast die kraamkamer met de tevreden moeder en het kindje.
Om tien uur is het werkelijk haast donker, het borduurwerk heeft ze straks al in haar tas geduwd, nu staat ze op — ze kan ook niet meer tot de ingang van het park zien. Ze klapt het vouwstoeltje dicht en staat in de avondschemer heel alleen en verloren tussen de acacia-boeketten, die ondragelijk zoet hun weelderig bloemenleven uitademen. Dan zet ze, als een gestraft schoolkind met hangend hoofd het geleende stoeltje tegen de reeds lang gesloten kiosk en loopt langzaam naar de uitgang. In de Scheidekgasse staat tegen het parkhek een aardige grijze twoseater, - ja, dit is een avond om samen in zo’n vlug, lichtlopend wagentje de Wienerwald in te rijden. Roserl klemt haar lippen strak opeen - er is immers niemand om mee te rijden, - misschien, als Komgross haar procuratie geeft, zal ze zichzelf eens op een goedkoop wagentje tracteren...
Daar wordt ze hardhandig bij de arm gegrepen. Otto’s donkergeworden ogen kijken op haar neer.
‘Jij kwaje meid, mag je me zó laten wachten? Al die tijd zeker zitten kijken of ik wel voldoende de smoor in had!’
‘Waar kom je vandaan?’ vraagt Roserl geschrokken. ‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt Otto met stemverheffing.
‘Ik heb daar ergens in het park gezeten,’ zegt Roserl, ‘en gewacht of ik je aan zag komen, ik wou met je praten. Maar waar was je dan?’
‘Ik zat hier in dit wagentje en heb geen oog van het parkhek afgehad. Om kwart over negen was ik er al, -ik kon dit ding huren tot morgen en ik dacht: als ze komt, neem ik haar mee de Wienerwald in.’
183