bij haar koffie. En dan is ze ook al vergeten dat ze honger zou kunnen hebben, - ze zit voor het kaptafeltje in haar kamer en kijkt zichzelf in de spiegel aan met grote strakke ogen, - maar huilen doet ze niet, de verticale voorhoofdsrimpel tekent een gebiedend uitroepteken tussen haar wenkbrauwen.
Daar gaan voorzichtige stappen over het portaal, de slaapkamerdeur draait in zijn scharnieren en dan hoort Roserl door de wand hoe Frau Bergmann’s vriendelijke stem zachtjes antwoordt op een gedempte vraag van Herr Bergmann. Het gezicht in de spiegel ziet haar plotseling onrustbarend gespannen aan, - dan grijpt ze haar tas en het mutsje en vlucht de Luftbadgasse in.
Om kwart over negen is de hemel nog een wijd opalen schijnsel boven de boomkruinen van het Esterhazypark. En al verlichten de gele lantaarnkoppen van beneden het gebladerte tot het daar hangt als een goudgroene theatercoulisse, niemand zal op deze lauwe zomeravond willen toegeven, dat de nacht beginnen gaat. Roserl tenminste, brengt het zijden chemisetje, waaraan ze borduurt alleen nog wat dichter bij haar ogen en werkt dan verder met haar regelmatige handige feston-neerbeweging. Ze is hier al van halfnegen. In het Kaf-feehaus zat een groep operettemensen van het Theater an der Wien, die iets te vieren hadden en dames te kort kwamen, - anders weet Roserl zich best met een grap door zo iets heen te slaan, maar vanavond moest ze opstaan, ze kon geen Kaffeehaus meer zien. Nu zit ze dan toch in het Esterhazypark, maar niet bij het hek waar Otto von Wernizek haar ontmoeten zou. Ze heeft voor haarzelf een eigen kleine plaats ontdekt in dit drukbevolkte stadsparkje en zit nu op het privé-vouwstoeltje, dat ze leende van de kioskjuffrouw, bijna geheel ver-
181