men. Het pijnlijkst echter is haar herinnering aan die eerste galant na Otto’s plotseling vertrek, toen ze zichzelf bewijzen wilde dat ze hem wel kon vergeten, - de herinnering aan haar avontuur met de jonge acteur, die op het toneel zulk een charmant en spontaan spel wist te geven en in werkelijkheid een genotzuchtig ego-ist was, die elke liefdedaad tot zijn eigen niveau neerhaalde.
Ze zucht en denkt: ‘Zo is het nu eenmaal. Een vrouw kan blijkbaar niet alles hebben. Of men heeft het werk, goedbetaald, interessant werk dat hoofd en hand vult, — en, in de perioden dat het werk toch niet genoeg geeft, wat namaak van menselijke gemeenschap, - of t men leidt een bestaan als Frau Bergmann, met eeuwige zorg voor iedere nieuwe dag, maar ook met de wetenschap dat men het middelpunt is van de warme huiselijkheid, die overal ontstaat waar een paar eenvoudige mensen de zorg aanvaarden als het hun toekomend erfdeel.
Misschien is er nog een derde mogelijkheid, maar een verstandige vrouw doet beter om niet daarover te denken, er gebeuren geen wonderen in deze wereld. Otto von Wernizek is zes dagen in Wenen, dan gaat hij terug naar Amerika, en Roserl Goldös wil niet meer schreien zoals ze geschreid heeft drie jaar geleden, -dat doet men maar eens in zijn leven.’
Een klein huilgeluid je, zacht en hoog maar aandoénlijk menselijk, klinkt uit het wiegje. Roserl heeft zich weer voorovergebogen, onder het wiegegordijn hangt de lauwe zoete wasem van een zuigelingenlijfje met de kruidige varengeur van het warmgeworden kussentje. Nu strijkt haar wijsvinger zachtjes over de fijne ronding van het wangetje, - hoe volkomen, hoe onuitsprekelijk, hoe wonderlijk volkomen is dit alles, dat
177