na het doktersbezoek doodmoe heeft achtergelaten. Daar loopt ze, nog wat schuw, maar rechtop ondanks haar kale zomermantel, een grote bos witte lelies houdt ze in haar arm.
Hij onderdrukt de beweging waarmee hij zich voelde opspringen, onbewust houdt hij zijn adem in. Hij ziet hoe Lili verdergaat tussen de stoelenrijen tot voor het Maria-altaar, daar legt ze haar bloemen op de laatste trede, slaat een kruis en laat zich op beide knieën neer. Otto durft zich niet verroeren. ‘Goddank, goddank!’ roept het in hem, - cze heeft het gewaagd, ze is weer alleen op straat, onder de mensen gegaan.’ Hij wendt geen oog van haar af en als hij ziet hoe deemoedig ze het hoofd buigt over haar gevouwen handen, springen hem onverhoeds de tranen omhoog, - hij voelt, dit betekent haar redding. Aandachtig volgt hij elk van haar bewegingen, gespannen, zoals men waakt bij een ziek kind, hij ziet hoe haar schouders zich vrijmaken, los van èen druk, hoe ze haar hoofd heft en achteroverlegt, verzonken in de beschouwing van het altaar met het miraculeuze Mariabeeld je. Hij is volkomen geconcentreerd in zijn aandachtige opmerkzaamheid, iedere hoofdbuiging, ieder gebaar van haar biddende handen beleeft hij in zichzelf, de tijd gaat voorbij en hij weet het niet, in hem bidt het mee: ‘Help haar, help haar toch, - Maria hilf!’
Dan ziet hij haar opstaan en hij duikt weg in zijn bank, maar zij gaat hem voorbij met heldere, rustige ogen en ziet links noch rechts, haar voetstap tipt over de stenen kerkvloer, nu flapt de kleine zijdeur achter haar dicht.
Otto heeft diep gezucht, als een ontwakende. Hij ziet rond, de kerk is nog om hem heen, maar drukker, er komen al mensen voor het Lof. Nu staat ook hij op uit
169