schap van het weerzien haar armelijke barok, ach het is ook wel voornamelijk een kerk voor de kleine man. ‘Mariahilf’, - wie hulp nodig heeft, schuift hier het portaal binnen en bidt om leniging van zijn meestal zeer eenvoudige menselijke nood.
Vlak vooraan bij de ingang, waar een nagemaakte grot van Lourdes de kinderlijke zielen vasthoudt, prevelt menigeen zijn schietgebedje en haast zich dan weer weg door een zijdeur, maar sommigen knielen neer op de vuile plavuizen en de tanige bedelares die er gehurkt in een hoekje zit, ontvangt roerloos de gaven, uit handen die kalm zijn geworden in ’t gebed. Kleine geschilderde en geborduurde geschenken, ook vodjes papier zijn tussen het hekwerk van de grot gestoken; alle dragen ze een opschrift: ‘Maria hilf!’ of ‘Maria hat geholfen!’ Als Otto binnenschrijdt, prikt juist ’n schooljongen een mooi gekleurd kaartje aan het hek. ‘Maria hilf!’ en Otto glimlacht, ja waarom zou de moeder van Barmhartigheid ook niet ingrijpen als een veeleisend leraar te moeilijke vraagstukken geeft?
Nu staat hij in het ruim van de kerk, haar gladde wanden omvangen hem met de aardse vertrouwelijkheid hunner baroklijnen, en de beschilderde koepelzolde-ring brengt een blauw-met-roze hemel zeer dichtbij. De geur van wierook en oud eikenhout, van brandende kaarsen en halfverwelkte bloemen vermengd met het onvermijdelijk huisluchtje van slechtgewassen kleren, komt hem tegemoet als een welkom-thuis. Zo ruikt geen kerk in Amerika, dit is wel wis en waarachtig Europa. Tevreden neemt hij wijwater en laat zich dan neer in een van de achterste banken, - tien minuten wil hij hier zitten en voelen dat hij terug is. Hij vouwt zelfs niet zijn handen, - men leeft nu eenmaal niet ongestraft in een analytische periode - maar hij geniet voldaan
167