niets herinneren, wel heeft hij indertijd gehoord dat ze als heel jong meisje een plotselinge bevlieging had om Franciscanes te worden, maar alle meisjes menen wel eens zo!n vocatie te voelen als ze van het pensionaat in het mondaine leven worden gebracht, hij herinnert zich niet, dat ze later ooit meer dan haar ene verplichte kerkgang per week deed.
Neen, ze zal haar eigen terugweg naar het leven moeten vinden, - maar de eerste dagen kan hij haar tenminste een beetje bij staan. ‘Om half acht kan ik terug zijn van Korngross, en vanavond houd ik ze gezelschap, - ik zal ze wakker houden, al moet ik scatsongs voor ze zingen.’ Hij duwt zijn hoed energiek achterover, -’t is warm in de cel. Inderdaad, maar wat heeft hij hier ook eigenlijk nog te maken?
Als hij naar buiten stapt, staren twee wachtende mensen hem met onverholen woede aan, hij heeft dan ook wel tien minuten lang beslag gelegd op de cel, en dat terwijl de hoorn al lang weer op de haak lag. Hij glimlacht verontschuldigend en zijn vriendelijk gezicht werkt blijkbaar ontwapenend, want de laatste wachtende (het is echter een dame) ziet hem nog met welgevallen na als hij reeds het straatje naar de Mariahilferkir-che inslaat.
Tien over halfzeven wijst zijn horloge als hij op het kerkpleintje staat. Korngross ligt honderd meter verder, hij is dus te vroeg. Tk ga nog even de kerk in,’ besluit hij, ’t is nu eenmaal een van zijn liefhebberijen, om geen kerk voorbij te gaan, als hij de tijd kan vinden voor een blik op het interieur. Daarbij is Mariahilf niet zomaar een kerkgebouw, ze is hem zeer bekend en zeer lief, hoe vaak heeft hij in zijn werkloze jaren op zijn doelloze wandelingen door Wenen in haar vreedzame stilte uitgerust. Hij begroet dus met de blijd-166