sistente, die schrijft en schrijft met lange driftige halen. ‘Nog vijf minuten!’ pleit het jonge meisje en denkt: ‘Fräulein Goldös begint waarachtig zuur te worden.’ Nu kijkt de onderdirecteur om de hoek, hij wil de dag-ontvangst weten. ‘Over vijf minuten hoor!’ bitst Roserl, het dagcijfer had er trouwens al lang kunnen wezen als Erna Lanz maar beter opschoot, de rimpel tussen haar wenkbrauwen wordt dieper.
Op dat ogenblik rinkelt de telefoon, een van de meisjes schiet toe. ‘Voor u juffrouw Goldös.’ Roserl heeft haar de telefoon al uit de hand genomen.
‘Neen, ik heb nu geen tijd... neen geen denken aan, ik zit midden in mijn kas... Wat? kun je niet vanavond? -ja, jammer, dan maar een andere keer hè? - Neen ik kan hier niet weg voor zevenen’ - (ja juffrouw Lanz, noemt u het eindcijfer maar, dan geef ik het door naar de directiekamer)... Neen, heus, ik heb te doen, ik luister niet langer hoor... Daaag.’
Roserl drukt het apparaat neer, de hoorn heeft ze in de hand gehouden Nu laat ze de houder terugveren. ‘Hier Centraalkassa, juffrouw zet mij even door naar de directiekamer.’ De rimpel tussen haar wenkbrauwen is diep als een snede.
Otto legt de hoorn weg en ziet gedachteloos uit door de glazen wand van de telefooncel. Het pleintje naast het Apollotheater ligt leeg en zonnig, alleen een paar duiven pikken onzichtbaar voer weg tussen de keien. De warmte van de zomernamiddag hangt nog zwaar en houdt de spelende kinderen bijeen in de koele schaduw van het kleine Esterhazypark, dat aan de overzij een groene oase vormt. Onder zijn hoogopgaand geboomte ligt het als een eiland van rust vlak bij de brede groene kruinen waarop zijn oog zich vestigt, terwijl hij 164