Halfzeven. De centraalcassa van Korngross is nog bij lange na niet aan het eind van de werkdag. Alle cas-sières hebben nu wel hun trommels ingeleverd en abnormaal veel fouten hebben ze gelukkig vandaag niet gemaakt, maar als om zeven uur, een uur na de sluiting van het warenhuis, de trommels met het wisselgeld weer in de safe klaarstaan voor de komende dag, spreekt Roserl Goldös pas van een topprestatie. Ze is op dit ogenblik tot in de laatste vezel van haar lichaam, tot in het miniemste hersencelletje, gespannen op haar doel: de vorige recordtijd te slaan. Om haar heen ratelt en klettert iedere schrijf- en telmachine, stuk na stuk vallen met een dof plofje de rollen schillings en groschen uit het merkwaardig mechanisme, dat speciaal voor Korngross werd geconstrueerd en in welks trechter, zak na zak, de ongesorteerde munten verdwijnen, om geteld en verpakt aan de andere zijde te voorschijn te komen. Roserl is wel een maand lang trots geweest op de arbeidbesparende machine, die op haar voorstel is aangeschaft, maar nu hij er al een half jaar staat en zij gewend is dat hij feilloos zijn plicht vervult, heeft ze er geen blik meer voor over. De meisjes eromheen werken bedrijvig en gespannen, zonder een woord te uiten, -en dat is een prestatie van de chef, — maar wanneer Roserl Goldös dit besliste gezicht aatrekt, met de rimpel tussen de wenkbrauwen en de smal toegeknepen mond, valt er ook niet met haar te spotten.
‘Schiet u op, juffrouw Lanz?’ Met de vulpen gereed tot paraferen staat Roserl achter de stoel van haar as-
163