avondbrood eten, doodgewoon, of er niets achter en voor hem ligt. De oude man zal blij zijn, - zelf is hij ook blij,, Heel erg blij en heel erg moe.
Hij springt op een tram en grijpt een lus, beneden hem knikken de rijen gezichten bij iedere schok van de rammelende tramwagen, moede gezichten van mensen die een dagtaak achter zich hebben. Ja, nu gaat iedereen naar huis, de dag is haast om, ook zijn dag is haast om, - eerst nog wat bij Grootvader zitten, - en dan zal hij zich melden, bij Julius...
Op het trottoir van de Luftbadgasse wandelt Herr Friedemann, de ex-spaghettifabrikant, en laat zijn poedel uit. Hij heeft de tijd en de poedel ook, geen hoekje is de hond naar zin. Daar komt Daniël aan en Herr Friedemann steekt slapjes een vinger op, want meer komt de Jodenjongen niet toe. Daniël echter voelt vanavond een nog leger onverschilligheid voor de vette geldschieter dan op andere dagen en gaat hem zonder groet voorbij. Daniël behoeft nu niet meer beleefd te zijn, die tijd is voorbij, - nu gelden alleen nog maar de ware, eqhte dingen.
‘Was dat niet de jonge Cohen die u daar groette?’ Een fatsoenlijk uitziend arbeider heeft tegen zijn pet getikt en Herr Friedemann, die Daniël beledigd stond na te kijken, draait zich om en bromt: ‘Cohen? nee, deze smous heet toevallig Jonathan, - kijk, daar woont hij, s- nu gaat hij net naar binnen.’ Dan, als zijn glimmende zaakwaarnemersoogjes bespeuren, hoe opmerkzaam de ander toeziet terwijl Daniël door de versierde ingangspoort van Luftbadgasse 12 stapt, komt hij dichterbij en vraagt geheimzinnig: ‘Moet je hem hebben?’
162