beeld van de stille huiskamer met het witte hoofd dat zich buigt over zijn perkamenten, het toegewijd voorovergebogen hoofd in welks nabijheid men zo heerlijk beschut is voor eigen onrust, rijst als een vredig visioen voor DaniëFs geest en schenkt hem een ogenblik ruimer adem. Ja, nu zal hij ergens een bus of een tram nemen en naar Grootvader gaan, - misschien kan hij vannacht wel slapen, en dan morgen met Julius spreken.
Hij loopt nu alweer door een winkelstraat van Margareten, hij gaat langs etalages en ziet wat er ligt uitgestald. Voor het raam van een instrumentmaker blijft hij zelfs staan en kijkt afwezig over de blinkende voorraad, - vagelijk herkent hij scharen en pincetten, zoals hij ze wel bij Julius heeft gezien.
In de instrumententas van Julius... die instrumententas.
God! Als een steekvlam schroeit hem een opflitsende gedachte en overspreidt hem met gloeiende angst, een ogenblik staat hij rechtop in zijn volle lengte dan draait hij zich om en rent terug langs de straat. De angst drijft hem voort, - als Julius nu, op dit ogenblik, ook eens op weg was naar Laxenburg; zelf vond hij zich daarstraks toch ook terug op die straatweg, — als Julius, mèt zijn instrumententas weer terug was gegaan! Julius is tot alles in staat, hij heeft zich maar met moeite aan Ladislaus onderworpen. - Julius kan nu, op dit ogenblik al in Laxenburg zijn, maar hij kan ook vanavond gaan als het donker is, - hij heeft niet alles kunnen doen wat hij wilde doen. Hij is tegengewerkt en dat verdraagt Julius niet, - neen dat verdraagt iemand als Julius niet.
Daniël loopt in stormpas terug, nu is hij klaarbewust en zeker van zichzelf op weg naar Laxenburg. Aan de Laxenburger Allee zal hij wel een bus kunnen krijgen.
159