Het is heet op de zonnige weg, Daniël slikt, hij heeft dorst. - ‘Een prop tussen je kaken, twee wollen dekens en een tentzeil over je hoofd, - hoe lang zou je het zo, zonder eten of drinken uithouden? - Rasser en Derresch zijn stevige knapen, die houden het langer uit dan een ander, ze zullen het best uithouden tot ze gevonden worden, zulke getrainde sportlichamen kunnen tegen een duw. — Juist. Zulke getrainde sportlichamen liggen dus ook langer in doodsnood als ze niet gevonden worden.’
Daniël zet de pas erin, hij moet terug, tussen de mensen - wat zijn dat alles voor sentimentaliteiten? Ladislaus heeft gelijk, gebruik je verstand. Gedane zaken nemen geen keer.
Wat heeft Ladislaus gezegd?
‘Eerst moet je weten of je die eed wenst te houden!’ Natuurlijk. Men zou een anoniem briefje kunnen schrijven aan de slotbewaarder van Laxenburg.
Halt. Neen. Zo heeft Ladislaus het niet bedoeld. Hij wil alleen dat men zijn verstand gebruikt, dat men zich niet met verstand en al overgeeft aan een ander, een willekeurig ander mens. Die eed is afgelegd in een cri-tiekloos ogenblik, — maar hij mag niet verraden wat onder ede is geschied. Alleen kan hij naar Julius gaan en zich voor het vervolg laten ontslaan van de eed, -als Julius wil.
Daniël stapt nu haastig terug langs de zoëven afgelegde weg, de werkloze tipt op zijn gummischoentjes achter hem aan maar houdt er zijn opgewektheid bij. De houding van de jonge Jood is inderdaad interessant voor iemand die belangstelt in de gaande en komende bezoekers van een communistisch agitator, de werkloze beklaagt zich niet.
‘Ik ga naar huis, naar Grootvader,’ denkt Daniël. Het 158