de zaak voor mij afgelopen. Ik kan waar achtig niet zitten huilen om iedereen die in deze tijd het loodje legt, — en pas op Jonathan, dat jij je sentimentaliteit kwijtraakt eer het te laat is. Ik voorspel je dat we hier binnen het jaar midden in de revolutie zitten en wie dan zijn ziel vol gemoed niet onder de duim heeft, knaapje, komt tussen de buffers, - en zeker aan de galg. De heren Rasser en Derresch hebben in ieder geval van hun hart geen last gehad toen ze Fritz Weissen-stein castreerden.’
‘Je hebt gelijk,’ zegt Daniël en weet toch met hernieuwde zekerheid, dat zelfs Ladislaus’ woorden hem niet kunnen bevrijden van zijn blinde angst, omdat twee mensen die hij kent, die hij met handen heeft aangeraakt, daarginds liggen in verstikkingsnood.
‘Nu moet ik toch werkelijk weer aan de gang,’ zegt Ladislaus en wijst naar zijn schrijftafel, ‘denk nog maar eens na, Jonathan, en doe voorlopig niets waarvan je niet zeker weet dat het gedaan moet worden, — bij twijfel onthoude men zich, zoals je weet.5 Zijn ogen zijn alweer weg in een courantenartikel, zijn schouders buigen zich naar voren, zijn borst wordt weer hol, en de hand die hij Daniël ten afscheid reikt is merkwaardigerwijs nog even vochtigkil als des morgens.
Als Daniël (zonder de boeken over Sowjet-recht) om zes uur het pleintje van de Matteottihof oversteekt, maakt de werkloze aan de overkant zich los van zijn lantaarnpaal en slungelt langzaam weg in dezelfde richting, niemand ziet hem na, er zijn alteveel werklozen in Wenen. Aan het eind van de Siebenbrunnengasse zet hij zijn pet recht, haalt zijn handen uit de zakken en trekt zijn das vaster in de knoop. Zijn stap wordt veerkrachtiger, hij ziet er nu al veel minder werkloos uit