verwezen worden, - maar in Wenen kan hij heel aanvaardbaar zijn, ondanks zijn privé-ondernemingen.’ ‘Maar ik heb geen privé-onderneming bedoeld toen ik mijn eed aflegde!’ verweert zich Daniël.
‘Allicht,’ knikt Ladislaus. ‘Daar ben jij ook helemaal niet het type voor. Jij hebt natuurlijk de wereld willen redden, nietwaar? Jij bent als Bayard sans peur et sans reproche op het monster afgegaan. Maar mijn waarde, je hebt alleen tegen windmolens gevochten. Dat komt ervan, als men zijn hersens buiten werking stelt en zich op zijn emoties hijst als op een racemotor zonder remmen.’
‘Wat moet ik doen?’ vraagt Daniël. Het is een verlossing die vraag hardop te mogen stellen, - de vraag die de ganse dag met obsederende regelmaat klopt tegen zijn bewustzijn: wat moet ik doen, wat moet ik doen?!
‘Niets/ zegt Ladislaus, ‘je moet helemaal niets doen voor je weet wat je wil.’
‘Maar ik heb mijn eed afgelegd, ik moet doen wat Ju-lius wil.’
‘Inderdaad. Dan moet je dus allereerst weten of je die eed wenst te houden.’
Ladislaus heeft zijn scherpe blik gericht in Daniël’s bruine jongensogen. Hij weet wat hij doet, - Julius is een proleet. Maar deze Jonathan schijnt van het soort dat in vuur gehard kan worden, - hij zou een edel en sterk wapen kunnen opleveren.
‘Ladislaus!’ Daniël durft het eindelijk te zeggen, maar zachtjes, ‘Ladislaus, vind jij het geen beroerd gevoel, dat Rasser en Derresch daar liggen te creperen?’
‘Neen,’ zegt Ladislaus, ‘van zo’n gevoel voel ik niets. Ik heb het enige gedaan wat ik redelijkerwijs doen kon om jullie buiten het gevang te houden en daarmee is
*55