weid uit konden halen. Let op: zonder geweld. Ze hebben een klassenstrijd willen strijden zonder geweld, -met inachtneming van alle fatsoensbegrippen, die een Westeuropeaan dierbaar zijn - waarschijnlijk omdat zijn grootouders ze nog in de kerk hebben aangeleerd. Ja. De sociaaldemocratie is geen strijdende beweging en alhaast helemaal geen beweging meer, ze staat stil, ze is arrivé, ze kan niet verder, ze is een vluchtheuvel voor de oudere generatie. Als ze ooit nog van onderop gedwongen tot strijd komt, zal ze samen met ons moeten vechten, onze methoden overnemen.’
Ladislaus moet hoesten en Daniël wacht afgewend op het einde van dit pijnlijk intermezzo, dan vervolgt Ladislaus onverstoorbaar: ‘Maar het merendeel van de Europese sociaaldemocraten zal niet meer vechten, vriendje, ze kunnen geen bloed zien. Hier in het land zitten nog behoorlijke elementen, - die geven zich rekenschap van de verhoudingen, - maar zij spelen het alleen niet klaar, ze hebben alle oude wijven van de Tweede Internationale tegenover zich, alle emotionele grabbelaars, die kletsen over broederschap en menselijke gemeenschap en volkerenvrede.’
Ladislaus is nu over zijn kuch heen, hij heeft zichzelf in vuur gepraat. — ‘Weet je, ik geloof aan het communisme, omdat ik geloof aan helder denken en aan stipt doen wat je denkt. Ik heb de hel in als ik de ra-diomeneer hoor spreken over een ‘felle strijd’ en een ‘moedig bevochten zege’ wanneer hij de brave kiezer bij diens kopje thee een stembusresultaat meedeelt. Dat is volksverderf. Dan prefereer ik nog de mensen die zich helder rekenschap geven van wat ze willen, al is het ook hun eigen persoonlijk belang. Die weten tenminste iets, die zijn zeker van hun zaak.’
‘Julius!’ flitst het in Daniël, ‘hij denkt aan Julius.’ En 152