weer op Ladislaus, die mager en ziek, zich drukt in de rug van zijn bureaustoel en van wie niets te benaderen valt dan de donkere diepliggende lijdersogen, welke een tikje spottend Daniël’s reacties hebben gevolgd. De jongen voelt zich nu dubbel besluiteloos en ongeconcentreerd zitten tegenover deze oudere en ongetwijfeld belangrijke mens, even ervaart hij het zelfs als een aanmatiging, dat hij het contact heeft verbroken tussen de werker en diens schrijftafel, vol met stapels papieren, manifesten, couranten. En dan, plotseling, spontaan als een klein kind, laat hij zich gaan in zijn hemzelf zojuist evident geworden ontzag voor Ladislaus. Natuurlijk wil deze hem wel antwoord geven op de vele vragen die hij te stellen heeft. Ladislaus is nu eenmaal belast met de propaganda aan de universiteit, dus weet hij te antwoorden op bijna iedere vraag die de juridische student hem over Sowjet-recht en -economie weet te stellen. Ook heeft hij een verbazingwekkende litteratuurkennis, hij causeert niet, maar geeft stipte, vertrouwenwekkende inlichtingen. Hij zoekt tussen zijn brochures en boeken het nodige op. Daniël bevalt hem, de jongen durft tenminste te erkennen dat hij iets niet begrijpt, daarbij voelt Ladislaus haast physiek de stroom van heldere aandacht die van hem uitgaat. ‘Hoe komt dit type terecht bij die ploert van een Julius?’ vraagt hij zich af, maar hij stelt geen hypothese, - hij is gewend met feiten te werken.
Het is een moeilijke school waarin Peter Ladislaus, die al Jobson en nog eerder Molotow heette, heeft geleerd, om zich te beperken tot feiten. Zijn physiek heeft het dan ook niet verdragen, dat zijn vurig, hartstochtelijk, idealistisch wezen door zijn overscherp intellect tot onderwerping werd gedwongen, — zo nu en dan spuwt hij met het bloed van zijn longen al zijn onder-150