ste touringcar, die zijn lading aan het lossen is. Daniël vraagt geen inlichtingen meer, hij stapt meteen door naar de opgang tot Ladislaus’ woning. Niemand merkt hem op dan een oudere werkloze, die, bungelend tegen een lantaarnpaal, zich juist deur en vensters van Ladislaus tot uitzicht heeft verkoren.
‘Zo, dat was je dus,’ zegt Ladislaus. Hij heeft geen ogenblik getwijfeld of de jongen komen zou, hij is gewend dat zijn suggesties doeltreffend werken en is alleen verwonderd, dat Daniël niet reeds kwart voor vier op de stoep stond. ‘Neem een stoel, - ja, dat staat nog wel stevig/ en nu zit Daniël tegenover Ladislaus op een krakend driepootje en is volkomen onzeker wat hij zeggen zal.
Hij ziet om zich heen voor een introductie, maar is plotseling evenzeer afgeleid van zichzelf als des avonds in de binnenstad tussen de stralende etalagevensters en draaiende lichtreclames. Langs alle wanden van Ladislaus’ woning schreeuwen biljetten, grote en kleine, om zijn aandacht. Hij weet niet waarheen het eerst te zien. De doordringende blik van Lenin tracht hem te biologeren, diens wijzende vinger hem een leuze in de hersens te duwen, ergens anders dreigt een rode vuist hem tegemoet, een aanrazende locomotief kronkelt een zwiepende staart tankwagens langs een oneindige spoorbaan en drie tractors trekken voren over een rode hemel. Het monsterbiljet dat de muur boven de hele breedte van Ladislaus’ schrijftafel bespant, toont een net van felkleurige lijnen over een warreling van fotobeelden, het schijnt de weergave van een systeem te bedoelen, maar midden in het lijnen web spalkt een felle arbeiders-kop de mond en schreeuwt van uitzinnige verrukking. Daniël is te leeg en te moe om die verrukking anders dan onverschillig te ontmoeten, maar nu valt zijn oog
149