aanzien en vlucht naar binnen.
‘Nu adieu dan.’ Daniël steekt zijn hoofd om de deur, — hij weet eindelijk wat hij deze middag zal gaan doen, - natuurlijk naar Ladislaus gaan om de boeken over Sowjetrecht te lenen en allicht ook wat blijven praten met Ladislaus, die van de zaak afweet, - ja, hij moet met iemand praten om niet te denken, en Ladislaus is tenminste iemand met wie men praten kan...
‘Daniël!’ roept Meyer Jonathan, en met de deurknop in zijn hand weifelt de jongen, die gedempte schreeuw klonk hees van verdriet. Ts er nog iets, grootvader?’ vraagt hij in de deuropening, maar nu heeft hij Meyer Jonathan aangezien, en nu moet hij de deur weer achter zich dichtmaken en naar de leunstoel lopen, waarin de oude man zich heeft neergezet, voorover, de handen gesteund op de knieën. Of hij pijn heeft.
‘Is er iets, grootvader?’ herhaalt Daniël.
Ach er is zoveel, veel te veel, zoveel dat het onzegbaar wordt. Meyer Jonathan kan alleen stom en strak in Daniël’s ogen staren, zijn mond beweegt, maar het ‘Hoor Israël’, dat hem, als in alle uiterste ogenblikken naar de lippen welt, blijft onuitsprekelijk. Alleen zijn handen bewegen zich omhoog of ze iets zoeken, dan leggen ze zich op Daniël’s schouders die zich naar hem overbuigen, aan die schouders trekt hij zich op. Nu staat hij voor de jongen en zijn handen heffen zich hoger tot ze liggen op het donkere hoofd van de kleinzoon, dat zich buigt.
‘God late u worden als Efraim en Manasse.’ Hij volgt het oude formulier waarmee de oeroude Jacob Jozef’s zonen zegende en waarmede nog iedere Joodse vader zijn zonen in Gods hoede aanbeveelt, als hij hun de hand oplegt. Maar Meyer Jonathan denkt niet aan Efraim en Manasse, hij denkt in het geheel niet, hij voelt
147