Als een paukenslag dreunt het geluid tegen Daniël’s oren, die sedert uren niet meer naar buiten hebben geluisterd. De schrik slaat door zijn huis, hij schokt ineen, en de reactie op die schok stelt hem bits en af werend tegenover Meyer Jonathan, die binnen is gekomen en hem toelacht, maar met slechtverholen onrust in zijn ogen.
‘Ik hoorde je opstaan,’ zegt Meyer Jonathan. ‘Heb je nog niets gegeten, jongen? Er staat niets, geen bordje, geen kopje.’
‘Ik had al gegeten, ’t Is in orde. - Ga maar naar binnen, ik zal nog wel even bij je komen eer ik wegga, ik wil me nu eerst gaan wassen.’
Daniël heeft zijn grootvader niet aangezien, het is te moeilijk om in Meyer’s ogen te kijken en dan weer zijn eigen weg verder te gaan. Zijn eigen weg? maar bestaat die dan nog?...
- Vervloekt, wat een warhoorderij! Natuurlijk zal hij daarstraks weer de straat opgaan, al is het dan zo maar, zonder doel, er gebeuren daar dingen die hij mee in gang heeft gezet en waar hij dus bij wil zijn. Dit is het enige, en daarom geeft hij ook geen antwoord meer als Meyer Jonathan hem na een diepe ademhaling zachtjes vraagt: ‘Moet je dan weer weg Daniël?’
Hij gaat langs zijn grootvader heen het keukentje binnen, de matglazen deur sluit hij achter zich. Meyer Jonathan is door de gang gevolgd, hij staat voor de dichte deur en ziet een schim heen en weer glijden over het dofwitte glas. Zijn blik volgt die schim van zijn kleinzoon en raadt hoe Daniël nu langdurig het hoofd houdt onder de kraan boven de gootsteen, onwerkelijk lang, hij hoort sinds lang geen water meer stromen als daar nog altijd de donkere schaduw op het matglas roerloos voorovergebogen staat, - hij kan het niet meer 146