opnieuw, onverwrikbaar, stelt zich de vraag: ‘Waarom zwoer je die eed?’
Weer gooit Daniël zich op zijn andere zijde, onmachtig de vraag te beantwoorden, zijn vuisten hebben zich gebald, - nu wil en zal hij niet meer denken. - Een eed is een eed, wie hem eenmaal heeft af gelegd, is gebonden. Het gaat nu alleen nog maar hierom; de gevolgen van de eed te aanvaarden! Daniël strekt zich uit over de ganse lengte van de divan, zijn arm- en knie-gewrichten kraken, hij voelt zijn eigen maat. Ja, dit is een besluit, hierbij kan men leven zonder te vragen: aannemen wat eigen daden aan gevolgen meebrengen. Hij opent zijn ogen en verjaagt eindelijk de hoop op een paar uren van droomloze slaap, - het helpt niet om te liggen wachten op iets dat niet komt. Hij staat op van zijn bed. Als hij op zijn horloge ziet dat het al vier uur is, schrikt hij, - om half twaalf is hij thuisgekomen, vier en een half uur heeft hij daar dus gelegen, gegrepen door zijn rondwentelende gedachten, - hoe moet dat verder gaan?
Nu staat hij midden in de kamer, zonder wens, zonder doel, zijn ogen zijn leeg en toch gespannen tussen brandende oogleden. Zijn blik valt op zijn schrijftafel, het kleine, overvulde schrijftafeltje van de arme student. Midden op het vloeiblad ligt het blinkende Franse revolvertje, - even treft hem de gedachte, dat dit nu het geijkte middel is om aan moeilijkheden te ontkomen -, dan haalt hij zijn schouders op en schuift het wapen onverschillig in een la. Hij staat daar maar, midden tussen vier wanden, en ondergaat de zinloosheid van dit wachtende staan, waaruit geen enkele impuls wil voortkomen.
Maar dan tikt een vinger drie korte klopjes aan zijn kamerdeur.
145