De tweede huissleutel ligt niet meer onder de mat. Godlof, Daniël moet thuis zijn gekomen. Hij moet nu binnen zijn achter die deur, welke Meyer Jonathan met bevende handen tracht te openen, — het valt hem moeilijk de sleutel recht te richten naar het slot, terwijl zijn hart zo snel de blijdschap door zijn oud lichaam stuwt. Maar het lukt toch, eindelijk, en nu tipt Meyer Jonathan op zijn tenen het gangetje binnen, - de jongen zal wel slapen, na twee nachten van huis te zijn geweest.
Maar Daniël slaapt niet. Hij ligt wel op het divanbed, waarop hij zich bij zijn thuiskomst liet neervallen omdat hij wilde slapen, - doch men valt nu eenmaal niet in slaap wanneer men dat zelf verkiest. Zo uitgeput en afgemat als Daniël zich voelde op de terugrit uit Laxenburg, zo koortsachtig gespannen wakker werd hij nadat hij zich had uitgestrekt op zijn divan. Sedert dat ogenblik draait een gonzend motortje op de plaats waar hij anders vrijelijk van zijn hersens gebruik kan maken en in de drijfriem wentelt het wiel, waarop de herinneringsbeelden der beide laatste dagen elkaar in voortdurende wederkeer opvolgen. Hij is volkomen buiten staat de motor stop te zetten en dus machteloos gedwongen stuk voor stuk al zijn belevenissen opnieuw door te maken, met dit verschil dat hij nu, na afloop, precies weet wat hij anders had moeten doen of zeggen. En in het middelpunt, roteert langzaam een loodzware afkeer van zichzelf, van de mensen, van de wereld, van al wat in en buiten hem denkt en wil.