terknecht strijdt met een suffisant heer in geelbruine tweeds, die twee gesticulerende handen zwaait voor FranzFs gezicht. ‘Ik begrijp er geen klap van, wat zegt die man toch?’ vraagt Hodl de pastoor. ‘’t Schijnt Engels te wezen,’ verklaart de pastoor. ‘Wat wil die vent?’ schreeuwt Hodl naar de meesterknecht. ‘Weet ik het?’ roept Franzl over de hoofden heen, ‘ik versta geen woord.’ - ‘Als ik het wel heb, is het toch geen Engels,’ bericht de luisterende pastoor, die indertijd zijn lessen heeft gehad van een afgestudeerd Oxfordman en het schel gekakel dus niet weet thuis te brengen. Intussen staat de man in de Hoftor te trappelen van groeiende opwinding en wuift zenuwachtig af werend naar buiten, waar een auto doordringende seinen van ongeduld geeft.
‘Het is er vast een van de film,’ meent het platinablonde nichtje, en nu ziet men inderdaad de mooie filmcamera die om de schouders van de vreemdeling hangt. ‘Is er hier iemand die goed Engels spreekt?’ vraagt de pastoor naar binnen en Maria Ritter staat dadelijk geïnteresseerd op. Ja, zij spreekt Engels, ze heeft het wel nooit geleerd, maar ze heeft haar tournees in Engeland en Amerika gehad, en zelfs enige malen zeer intieme conversaties gevoerd met Britse gentlemen, die, als bekend, geen andere taal dan de Britse behoeven te verstaan. Maria dringt dus naar voren, en ja, ze verstaat iets, — maar dan lacht ze naar Mijnheer Pastoor. ‘Dat is geen Engels, ’t is Yankee-doodle.’ Ze schuift wat dichterbij, maar juist als ze zich in de nu koortsachtig verhitte atmosfeer tussen Franzl en de Amerikaan wil begeven, klinkt een luid gejuich op van de achtertrap waar Herr Bergmann, de kraamheer, met twee armen staat te zwaaien. Zijn anders zo uitdrukkingloos procuratie-houdersgezicht straalt van opwinding en transpiratie.
137