en zekerheid heeft geërfd, staat ernaast voor controle. Als Meyer Jonathan na zijn arbeidsdag de Hausflur betreedt en het gouden paar zijn gelukwens wil bieden eer hij de drie trappen naar zijn woning beklimt, ziet hij geen mogelijkheid om door de compacte mensenklomp de kamer binnen te dringen. Daar staat hij nu, zilverwit en klein, machteloos maar glimlachend achter een muur van ruggen, en de goedige Franzl moet voor hem uit een doorgang wrikken, eer hij in staat is Hodl de hand toe te steken.
Maar juist op hetzelfde ogenblik heeft Mijnheer Pastoor zijn hand ten afscheid gestrekt. Zo staan ze nu beiden voor Hodl en deze beleeft een moeilijk moment, maar dan heeft Meyer Jonathan zijn hand al teruggetrokken, — natuurlijk — het spreekt vanzelf dat een geestelijke de voorrang heeft. Doch Hodl’s vriendelijk hart is niet tevreden, - met zijn linkerhand vat hij Meyer’s benig handje in zijn eigen stevige warme greep: ‘Bedankt voor de gelukwensen, bedankt voor het bezoek’; glimlachend staan de drie bejaarde mannen een ogenblik zo met de handen aaneen.
Nu dringt Johannes voor de pastoor uit naar de deur, want deze gast wil hij uitgeleide doen tot aan de grenzen van zijn domein. Meyer Jonathan volgt achter de brede rug van Mijnheer Pastoor en bereikt dus eveneens, zonder inspanning en onbeschadigd, de minder overvulde ruimte van de Hausflur. Maar daar blijven ze staan, alle drie. Van de Hoftor klinken luide stemmen, - de meesterknecht beantwoordt, nadrukkelijk articulerend, een stroom, van schelle doch onverstaanbare neusgeluiden, terwijl buiten op straat een claxon doordringende signalen staat te geven. ‘Wat kan dat wezen?’ vraagt Hodl en luistert perplex naar het vreemdsoortig mondduel dat zijn anders zo vreedzame mees-136