niet: een bad in deze onschuldige, gemoedelijke vreugde zal hem goed doen. ‘Zeker, ik weet wel iemand, en nog wel hier uit uw eigen huis, het achterhuis, Herr Hodl.’
‘Dat zuursnoet? die komt vast niet, die kijkt een mens amper aan,5 meent Hodl. ‘Die komt als ik het hem vraag!5 verzekert Maria en heeft zich daarmee verplicht Paul Wolük des avonds te produceren. ‘Maar het is toch een violist?’ twijfelt Hodl nog. ‘Die jongen speelt piano ook als het moet, ik ken hem!5 Ja, Maria triomfeert graag waar anderen falen, - en Mijnheer Pastoor glimlacht verstolen - vele malen reeds heeft hij zijn energieke biechtelinge moeten bij staan om de steken die ze zo lichtvaardig loshaalt, weer gelijk te breien. Maar — voor zulke werkjes bestaat hij nu een-^ maal op deze wereld.
De kamer is thans overvol, men staat op eikaars tenen. Uit de Luftbadgasse die gegeten en ook al de vaat gewassen heeft, komen voortdurend feliciterende moeders met kinderen, die wel even staande een Hirschhörnchen willen genieten, en wat de moeders betreft, er ook een glaasje bij lusten. De sigarendamp hangt blauw boven de hoofden en de warmte, nog altijd gezellig hoewel onwelriekend, stijgt met de minuut. Maria heeft de vos al achter zich gehangen, ze denkt nog niet aan heengaan, maar Mijnheer Pastoor opgeschrikt door vier schelle slagen van de hangklok, trekt zijn soutane recht en begint afscheid te nemen.
Steeds dichter wordt de haag van aandringenden en fe-liciterenden, men komt er haast niet door en de jonge meisjes geven het op om glazen en kopjes uit elkaar te houden, ze posteren zich opzij van de deur en schen-ke iedereen die hun zijn drinkgerei voorhoudt. Johan-nes Junior, die met zijn vaders statuur, ook diens rust
*35