dan in deze tijd onvermijdelijk is en de gezeten parochianen ervaren de Zaligheid van het gewin. ‘Nu kan ik er van middag weer een paar blij maken,5 zegt de pastoor en ontsluit omstandig zijn zware varkensleren portefeuille. Alle Hodls zien toe hoe het geld door hun pastoor wordt opgeborgen voor zijn armen.
‘Nu weer een beetje muziek!’ beveelt Hodl. ‘En schenk nog eens bij, Johannes. - Jesses, ik heb van die vent toch zo’n kinderachtige smaak overgehouden.3 Johannes Junior schenkt bij, eerst Maria Ritter, dan de pastoor, dan zijn vader en ten slotte vult hij ook het geheel lege glas dat de dorstige Josefine hem zonder pardon blijft voorhouden.
‘En mevrouwtje, zullen we nog altijd niet het genoegen hebben u weer eens te horen?’ De pastoor die tot nu toe te ver van Maria was gezeten, wil niet heengaan zonder zijn trouwe biechtelinge een vriendelijkheid gezegd te hebben, daarbij heeft hij heus nog aangename herinneringen aan een weldadigheidsconcert, waar ze vele jaren terug is opgetreden. ‘Als u vanavond 'komt, kunt u Frau Ritter horen,’ verklaart Hodl trots, ‘ze heeft ons beloofd een paar aria’s te zingen. - Maar dat’s waar ook, - hoe doen we met de begeleiding?’
Daaraan heeft Maria merkwaardigerwijze niet gedacht, ze is er al zolang aan gewend dat ze zichzelf moet begeleiden. Maar, nu ze erover denkt, zou ze vanavond toch graag weer eens gewoon staan te zingen, ook wat daarbij acteren misschien, zó heeft ze het zich voorge-steld.
‘We hebben wel een pianootje,’ wijst Johannes, ‘maar niemand speelt er meer op.’ ‘Wel dan breng ik iemand mee,’ belooft Maria, en denkt aan Paul Wolük, - ze zal de jongen uit zijn eenzaamheid halen, of hij wil of 134