terknecht tussen de deurposten verschijnt en met dringende gebaren HodPs oudste zoon uit een kluwen drukbewerende rokers te voorschijn wenkt. Resi ziet het gebeuren en schiet naar voren, — haar onrustig moederhart klopt sneller, het zal toch niet misgaan met de bevalling? - maar ook Hodl is opgestaan want in de Hausflur breekt de muziek af, instrument na instrument. Iedereen steekt nu het hoofd naar voren, slechts Mijnheer Pastoor blijft kalm achter zijn glas, - hij is vijfenzestig en sinds lang niet nieuwsgierig meer.
Daar stapt over de drempel een zeer lange, zeer zwartgeklede, zeer officieel aandoende heer. ‘Dat is deftigheid, ’ denkt Resi, maar dan ziet ze dat het zwart toch niet helemaal zwart meer is en kan nu, bekomen van de eerste schrik, rustiger afwachten wat gebeuren zal.
De heer licht zijn hoge hoed langzaam van het hoofd, zijn ogen doorzoeken met zekere deskundigheid de kamer tot ze het gouden paar hebben gevonden. Dan ontvangt hij een groot, in groen saai gehuld pak uit handen van een achter hem gaand, blijkbaar ondergeschikt persoon met een bolhoed, posteert zich voor Hodl met zijn Resi en glimlacht welwillend op ze neer.
‘Iemand van de Burgerlijke Stand,’ fluistert Hodl’s oudste zijn vader in het oor, ‘ze zijn gekomen in een gemeenteauto.’
‘Herr Hodl en Mevrouw!’ begint de heer. ‘Geacht bruidspaar, ik heb het genoegen hier de Gemeente Wenen waarvan gij deel uitmaakt, te vertegenwoordigen, om u geluk te wensen op uw gouden huwelijksfeest.’ Tegelijk slaat hij de doek terug, nu kan ieder zien hoe een goedgedrukte en solied ingelijste oorkonde, waarop een indrukwekkende foto van het Stadhuis prijkt boven de namen der ‘in vijftigjarige echt verenigde Jo-
131