programma en wil dat ook zijn, — hij is het zo gewend en het behoort tot zijn parochiale arbeid. In het onderhavig geval is die arbeid niets dan verheugenis, want ook Mijnheer Pastoor is een oude Wener en voelt zich heerlijk thuis in deze parterrewoning waar de zoldering, laag boven de hoofden, nog wordt geschraagd door ouderwetse zware eikenbalken. De parochie van Mariahilf telt veel van dergelijke woningen en Mijnheer Pastoor is daar zeer trots op. Als hij vrienden te logeren heeft, voert hij ze door alle oude venterkroegen van de Wienzeile om met betimmeringen en beeldhouwwerk te pronken en het deert hem niet als hij daarbij terecht komt op plaatsen of tussen mensen, die men minder eerbaar zou kunnen noemen, - zijn alle zielen niet kostbaar voor God?
Maar tussen de zielen van het geslacht Hodl voelt hij zich wel zeer ongedwongen op zijn plaats. Hij smookt met welbehagen zijn sigaar en de jonge Resi, (die hij nog heeft gedoopt) krijgt een dankbaar knipoogje als ze een extra portie slagroom op zijn koffie schuift. Ja, ja, Mijnheer Pastoor wil nog best een kopje koffie, maar een goed glas wijn zal hij straks ook niet afslaan en de ganse familie Hodl ziet met vertedering toe, hoe hun pastoor geniet van de goede gaven die hem worden gebracht. Zelfs komt een deputatie uit het mando-line-orkest om in de kamer wat voor te spelen, de jongens krijgen vuurrode oren als Mijnheer Pastoor ze complimenteert. ‘Nog beter dan de beste Schrammel,’ heeft hij gezegd, - ze rapporteren het in de Hausflur en het hele muziekgezelschap glundert om het succes van zijn medeleden.
De pastoor is nu juist van plan zijn glas te heffen op het geluk van het gouden paar en een enkel plechtig hoewel hartelijk woord daarbij te spreken, als de mees-130