voorpoten.
De sigaret spiraalt een fijn grijs wolkje. Otto volgt het met de ogen tot het ijl en ijler zich oplost tegen de blauwe lucht. Langzaam ontspannen zich zijn krampachtig beheerste zenuwen, ook in hem lost zich iets op, -hij weet niet wat. Hij voelt alleen hoe hij wegdrijft in de zondoorwarmde geurige atmosfeer, in stijgende kringen wegdrijft uit zichzelf en zijn zorgen. Hij is nog wel heel moe, uitgeputter zelfs dan toen hij zoëven de woning van zijn tante verliet, maar het is een moeheid die zeer tevreden verdragen kan worden als de zon schijnt op bloeiende jasmijn en een zachte wind golven van geurige blijdschap aandraagt uit een perk helderrode rozen.
De dikke Mutti heeft haar zuigeling weer ingepakt en de foxterrier ontheven van de zorg voor haar boodschappentas. Dus kan de hond wat dichterbij komen om kennis te maken met de man die zo bevredigend in zijn nabijheid is blijven zitten, hij besnuffelt de neuzen van Otto’s schoenen en heft een paar donkerbegrijpen-de ogen naar hem op.
‘Ja, hè?’ - Otto wrijft de terrier met overleg achter beide oren, - ‘het is hier niet kwaad, we hebben een best plaatsje getroffen, ouwejongen.’ Het hondje laat zich stil genietend vertroetelen, het heeft zich niet vergist, deze man weet wat een dier toekomt. ‘Zo, nu moet je mee met de vrouw,5 zegt Otto en wisselt een blik van vriendelijke verstandhouding met de goedige eigenares, die haar kinderwagen weer in beweging heeft gezet.
Ja, dit is zijn eigen Wenen. Otto glimlacht stil voor zich heen. Maar dan geeft hij zich een zetje omhoog en staat weer op zijn voeten, het eindje sigaret is al gedoofd onder zijn hak. Hij steekt het pak met de onyx-schaal onder zijn arm, het weegt zwaar en ook is het 122