lippen vaneen, voor het eerst ziet ze bij vol bewustzijn, dat de man die daar staat, Otto von Wernizek is, haar jongere neef, het schuchter vereerdertje uit haar bloeiende meisjestijd, de broederlijk-galante kameraad uit later jaren, maar vooral de vriend die ze zolang heeft gemist, een vriend waaraan men alles vertellen kan, omdat hij begrijpt wat er dringt en stuwt in de bloedklop der Wernizeks. Voor het eerst realiseert ze dat hij is gekomen en haar wil helpen omdat hij zich haar verwant voelt.
Op dat ogenblik schiet haar leeggeweende, leeggedach-te, sedert maanden uit geholde lichaam vol met pijn, een golf van heet verdriet slaat omhoog naar haar ogen. Vanwaar komt dat verdriet, uit welke afgesloten gebieden heeft het zich vrij gemaakt? Nu is het uitgebroken, onverwachts, het overstroomt en overstelpt haar en doet haar hart bonzen of het barsten zal, het hart dat ze zo lang zonder inhoud heeft meegedragen, is plotseling volgelopen met pijn. Het donker verdriet stroomt over haar heen, welt omhoog tot een onweerhoudbare tranenvloed, dan slaat ze haar handen voor haar gezicht en weent en jammert haar wanhoop uit.
Vervuld van diep, warm medelijden ziet Otto op haar neer, maar toch is hij tevreden, hij probeert zelfs niet te troosten, zo is het goed. - Arme stakkerd, huil maar uit, huil je maar terug in de wereld. - Zijn ogen staan groot van meegevoel, maar hij raakt haar niet meer aan, hij weet hoe vrouwen zijn. Ze hoeft niet meer leed te verduren dan strikt noodzakelijk is, - en hij heeft gevoeld hoe geprikkeld ze straks zijn hand afschudde.
‘Zo dat is goed,5 zegt hij rustig als Lili’s schouders niet meer schokken. Wel vloeien haar tranen nog, maar langzaam en weldoend als een zomeravondregen. ‘Nu hoef je niet meer met me op straat, blijf maar stilletjes
119