nooit eerder gekund, ze was hem te lang zijn Schone Kusine geweest. Nu strijkt hij haar voorzichtig en broederlijk over haar schouder. ‘Zeg het maar,’ dringt hij aan, ‘zeg het mij maar.’
Ze snikt, een kort brokje van een snik, en duwt haar hoofd tegen zijn arm. ‘Er is niets bijzonders,5 fluistert ze tegen zijn arm op, het is een wonderlijk fluisteren, de woorden lopen ineen, het is moeilijk haar te verstaan.
‘Er is wèl wat bijzonders,5 zegt Otto streng. ‘Je moeder is ziek, dat kan iedereen zien en jullie woning is eenvoudig onherkenbaar. Er is hier iets gebeurd en ik wil weten wat!5
Ze wil gaan spreken, ze slikt en ademt haastiger en dan gaan haar lippen vaneen, ze spreekt snel met een hoge nerveuze stem en bij de eerste woorden weet Otto al waarom ze niet eerder haar krampachtig binnensmonds zenuwlachje heeft laten varen. Ze durfde niet te praten, ze schaamt zich, - omdat ze geen tanden meer heeft. Hij bukt zijn hoofd over haar armzalig opgekrulde vale lokjes, hij luistert en probeert te verstaan, het gaat moeilijk, maar hij begrijpt toch wat ze zeggen wil. Ze hijgt en fluistert en kreunt haar sinds lang opgesloten woorden, en hoort niet meer wat ze zegt. Op dit ogenblik ontgaat haar hoe haar tandeloze mond ieder woord misvormt, - ze spreekt en spreekt voor zich heen, haalt dan diep adem en spreekt verder.
‘O, jullie hebt het gemakkelijk,9 - ‘zeg het maar, zeg het mij maar,5 - ‘Jullie kunt praten met de anderen, maar als ik wil gaan praten, kijkt iedereen me aan en ik mag nog blij zijn als ze me niet in mijn gezicht uitlachen. Overal hebben ze om me gelachen, bij de slager, bij de bakker, bij de vrouwen op de Naschmarkt, e- overal waar ik ging. Ik heb mijn leerlingen een voor
“3