haastige pasjes tussen haar toilett af eitje en de kleerkast. Ze heeft blijkbaar, in wonderlijke bedrijvigheid, al haar bezittingen buiten de kast gesleept en woelt nu in een ordeloze hoop kledingstukken. Op de tafel ligt een krultang te dampen in de spiritusbrander, een afgebroken corsetveter hangt smeulend ernaast. Otto dooft het gloeiend vetereind tussen zijn vingers, - dan pas ziet hij het arme glimlachje waarmee Lili hem verwelkomt.
Neen, Lili is niet apathisch zoals haar moeder, eer het tegenovergestelde. Twee hoogrode vlekken verschijnen op haar magere wangen, ze drukt zijn handen, ze rolt haar kleine damesfauteuiltje uit een hoek en wil dat hij zal gaan zitten. Ze haast zich van de ene kamerhoek naar de andere of ze iets zoeken moet, maar er is niets dat ze zoekt, intussen houden haar handen de verschot ten peignoir stijf getrokken over haar borst. En telkens als ze langs Otto gaat, lacht ze haar arm vertrokken lachje dat hem tranen in de ogen drijft. ‘Wel Lili?’ zegt hij.
Daar is het weer, hij kan het niet aanzien. ‘Wat is er toch met jullie?’ vraagt hij. ‘Je moet me zeggen wat hier is gebeurd. - Ik ben toch de enige die het nog aangaat,’ voegt hij erbij. - Het klinkt hard en dan weet hij plotseling dat het werkelijk zo is.
Lili heeft een opmerkelijk rein en recht profiel bezeten, hij herinnert het zich nu hij haar van opzij gebogen ziet over de toilettafel. In deze drie jaren echter zijn alle lijnen onzeker geworden alsof een bevende hand een nobel contour heeft overtrokken. Nu beeft het ook om haar mond, haar wangen, - ach, denkt Otto, dit is ook al een oude vrouw, — erger nog, een oud meisje. Hij durft nu wel naar haar toe te gaan en zijn arm om haar schouders te leggen, — hij heeft dat 112