te bewegen, ze doet wel haar best maar er komen geen woorden. Het blijft stil in de kamer, angstwekkend . stil, en nu hoort Otto dat ook de klok niet meer tikt. Hij kijkt naar de grote witmarmeren pendule met de voorgoed in hun omarmimg versteende Amor-en-Psyche, de wijzers hangen slap omlaag. De tijd staat stil. En nu wacht ook hij verder buiten de tijd. De geluiden die door het open venster dringen, verliezen in de kamer hun betekenis, ze zijn alleen nog wat lastig, meer niet. De kleine oude vrouw, tegenover hem, schijnt ze zelfs niet te horen, ze ziet neer op haar slappe, levenloze handen, die ze voor zich op tafel heeft gelegd, nu en dan knikt haar hoofd terzijde of ze in slaap zal vallen. Otto kan zijn ogen niet van haar afwenden, hij moet ieder van haar wankele bewegingen, ieder slaperig neusgeluid waarnemen en opbergen in zijn hersens. Een stijgend gevoel van doffe hulpeloosheid bevangt hem; hier valt niets te redden, hier valt niet te helpen, het is onherroepelijk wat hij daar voor ogen heeft. Hij vraagt al niet meer naar een oorzaak. Er kruipt ook dofheid over zijn eigen gedachten, nu eerst merkt hij dat hij een lange treinreis achter zich heeft, zijn kaken rekken zich in een onweerstaanbare lust tot gapen. Maar dan schettert een claxon in de straat, vlak beneden het raam.
Otto springt op, hij schudt zich als een natte hond. Het is ondoenlijk hier zo te wachten, dat houdt niemand uit. £Ik ga even naar Lili kijken/ zegt hij. Zijn tante maakt geen beweging. Voor drie jaren zou hij er niet aan hebben gedacht zijn nicht Lili in haar slaapkamer op te zoeken, maar nu stoot hij de deur open alsof hij lucht moet binnenlaten in een kamer waar iemand bezwijmd ligt.
Maar Lili ligt niet in zwijm. Ze loopt met knetterend-
iii